quad versterker, quad luidspreker, revisie, ombouw, reparatie
Armand van Ommeren
Kerkstraat 56
4854 CG Bavel
The Netherlands
0161-432 451
06-225 68 967
armand@quadrevisie.nl
KvK Breda 20064173



<< Terug
 

Nawoord “Buizen versus Transistoren” oftewel:

“Vergelijken, toen en nu”

 

© Armand van Ommeren september 2020

 

Vergelijken is altijd een lastige zaak en het maakt niet uit of je versterkers vergelijkt, luidsprekers of systemen: het is extreem moeilijk een vergelijking te beperken tot datgene wat je wilt vergelijken. Alleen al het volkomen gelijk maken van het volume tussen de te vergelijken apparaten is moeilijk maar wel essentieel. De luidste wordt altijd als beste ervaren. Zo ontstaan vaak meningen die op verkeerde gegevens zijn gebaseerd. Bijna altijd vergelijk je meer dan je bedoelt omdat er factoren meespelen die je zijn ontgaan of die je niet onder controle hebt. In het verhaal van James Moir – een audio godheid uit dezelfde tijd als Arthur Radford, Gilbert Briggs, Raymond Cooke, Arthur Baily, Peter Baxandal en Peter Walker die overigens zeer vriendschappelijk en ondersteunend met elkaar omgingen! – wordt duidelijk dat het echt in de jaren 1965/1978 speelt, de hoogtijdagen van de audio.


In het verhaal van Gilbert Briggs over Peter Walker (elders op de site) leest u ook dat beide veel hebben samengewerkt en een vastomlijnd idee hadden over wat goed geluid is. Dat ligt minder voor de hand dan u wellicht denkt: wat me vaak opvalt bij gesprekken over weergave is dat velen geen idee hebben van wat ze zelf goed geluid vinden. En ook niet, terwijl men op zoek is naar iets anders, iets nieuws, naar wŕt er dan aan de bestaande installatie zou moeten worden verbeterd. Als je dat niet weet, is de kans groot dat het leidt tot een verkeerde keus: dat je kiest voor iets dat opvalt, spectaculair is, maar al snel verveelt. Een opvallende goede eigenschap is net zo vervelend als een opvallend slechte eigenschap: een gelijkmatig, onopvallend karakter is, zéker bij luidsprekers, zeer te prefereren. Als u in een winkel verschillende luidsprekers achter elkaar hoort, is die luidspreker die het minste opvalt waarschijnlijk de beste! En onthoud dat een winkel de slechtste plaats is om luidsprekers te vergelijken: de ruimte is groter dan een huiskamer, akoestisch doorgaans slecht, niet spelende luidsprekers doen ook mee en de opstelling is verre van optimaal.



Zou je de luistertests van James Moir nu overdoen met dezelfde middelen, dan zul je waarschijnlijk tot soortgelijke conclusies komen. De beperking en daarmee ook de bepalende factor van die proeven zit namelijk niet in de versterkers die in dat verhaal worden getest, maar in het bronmateriaal. Ik beschreef dat ook in mijn nawoord bij de KEF Cresta luidspreker, hčt juweeltje uit eind jaren zestig en nog steeds een juweel. Destijds door velen beschouwd als een tamelijk fel speakertje, op het scherpe af. Luister je nu op modern bronmateriaal, dan is het juist een in het hoog uiterst gaaf en helder klinkend luidsprekertje zonder een spoor van scherpte. Waarmee duidelijk is dat de scherpte in het bronmateriaal zat en niet in de luidspreker. En dat soort factoren speelt in elke vergelijking.

Kijk je naar de score van de verschillende versterkers in de test van James Moir, dan valt daar inderdaad geen duidelijke conclusie aan te verbinden. Het bronmateriaal wordt niet vermeld en dat is jammer want aan de hand van de score van het bronmateriaal zou wellicht een andere conclusie kunnen worden verbonden.

In het verleden, maar ook nu nog, werden bij luisterproeven heel vaak de oude geweldige Decca opnamen gebruikt. Soms probeer ik dat nog wel eens, maar dat valt altijd tegen: de keten pickup element > versterker > luidspreker is zoveel beter geworden, je hoort een stuk meer, waardoor de beoordeling heel anders uitvalt en vaak negatiever. Voorbeelden te over.

Zoals de beroemde Decca opname van Der Ring des Nibelungen van producer John Culshaw – lees het artikel over hem elders op de site – die al meermaals is heruitgegeven. Beluister je de originele uitgave op LP (in die fraaie houten kist!) en leg je die naast de laatste heruitgave op CD dan begrijp je waarom Decca aan remastering is begonnen. Je hoort zonneklaar dat de originele master veel beter was dan je op de LP’s kon horen! Anders gezegd, de klank in de regiekamer van destijds met het geluid rechtstreeks van de microfoons was vele malen beter dan wat op de LP kon worden vastgelegd, ondanks de nodige correcties voor het snij- en persproces. Nu kunnen we die originele klank vrij nauwkeurig op de CD overzetten zonder moeilijke ingrepen in het proces. De LP liet/laat ons maar een deel van de waarheid horen, een deel van het signaal ging/gaat verloren. En zelfs met de mooiste elementen van nu is dat niet te herstellen. Dat komt omdat in het snijproces en de productie voorbereiding wordt gecorrigeerd, subjectief en afhankelijk van de technicus en de beschikbare apparatuur. Die correcties kunnen bij het afspelen niet meer ongedaan worden gemaakt en ook het allerbeste en extreem dure pickup element kan daar niets meer aan veranderen. Waarin ook meespeelt dat een pickup element niet wordt gekozen op de correcte klank maar op aansprekende klank of lage aftastvervorming.

Met andere woorden: de keten van opname tot eindresultaat heeft een reeks stappen ondergaan waarbij het signaal bewust wordt beďnvloed op zowel objectieve, maar vooral subjectieve gronden om ervoor te zorgen dat het op de gemiddelde huiskamerinstallatie goed klinkt. In de jaren zeventig was daarin uiteraard wel een hoog niveau bereikt – na 20 jaar ervaring in het behandelen van de opname en het snijden/persen van platen – maar het systeem was niet zonder verliezen en kon dus niet zonder ingrepen om dat te compenseren. Wat niet wegneemt dat het resultaat van een aantal van mijn eigen opnamen op LP (in DMM techniek) verrassend goed klinken. Maar de CD van diezelfde opnamen klinkt precies hetzelfde als de mastertape! Het enige is dat de platenfirma’s het niet kunnen laten het maximum niveau tegen de 0 dB te leggen, terwijl ik heel bewust steeds op maximaal -6 dB opneem om wat ruimte te houden en de vervorming in de luidste passages zo laag mogelijk te houden! Nu hebben we eindelijk ruimte zat – 96 dB – en nňg houdt men vast aan de oude analoge gewoonte om maximaal te moduleren, tegen hoorbare vervorming aan. En dat lijkt steeds erger te worden: het tekent een gebrek aan inzicht. Of de oude stelling dat de luidst klinkende plaat of CD het beste verkoopt. De marketing dicteert!

Iedereen begrijpt dat die gemiddelde huiskamerinstallatie van de jaren zestig en zeventig een andere was dan nu het geval is. Los van een waardeoordeel over de kwaliteit staat vast dat er een groot verschil is: het medium is digitaal geworden met doorgaans een aanzienlijk geringere subjectieve en objectieve beďnvloeding van het signaal. Die behoefte bestaat ook minder omdat het overzetten van het digitale signaal theoretisch 1 op 1 is, waar in het analoge systeem moet worden ingegrepen om achteruitgang tegen te gaan. Om één factor te noemen: bij het snijden van de master veert het materiaal enigszins terug, wat aantasting van het signaal betekent. In koper (DMM = Direct Metal Mastering) is dat effect kleiner maar bestaat nog steeds. Of de RCA platen waaraan negatieve vervorming werd toegevoegd om de afspeelvervorming van de platenspeler te compenseren. In de digitale wereld speelt dat in die vorm en op die schaal geen enkele rol meer. Elk systeem heeft natuurlijk zijn specifieke zwakke punten, maar die zijn in het digitale systeem verwaarloosbaar klein t.o.v. het analoge.

Essentieel punt is dat je nu door de betere dragers: ook de LP is aanzienlijk beter geworden en kan beter onder controle worden gehouden, denk o.a. aan de DMM techniek. Daardoor ligt het eindresultaat van nu geproduceerde LP’s of zelfs cassettes zoals die van Reference Recordings, veel dichter dan ooit bij de oorspronkelijke opname. Dit alles betekent trouwens wel dat nieuwe volgens de nieuwste technieken opgenomen LP’s ver af staan van de LP’s uit de jaren zestig; die laatste kunnen op een modern systeem wel eens tegenvallen. Ongemerkt, of onbedoeld, zijn systemen soms aangepast aan de klank van de LP’s van toen en de moderne LP’s en zeker CD’s staan daar inmiddels ver vandaan.

Het punt is dat nu de complete keten minder of zelfs niet meer in klank wordt aangepast om het eindresultaat naar de gemiddelde gebruiker toe te breien. Die beďnvloeding betekent per definitie al dat de luidsprekers die je bij de vergelijk gebruikt bepalen hoe de test zal uitvallen: zijn dat dezelfde als de luidsprekers die bij een bepaalde opname voor de productie zijn gebruikt, zal die opname er positief uitspringen. En omgekeerd. Bij het vergelijken van versterker ligt dat net zo, al zijn de verschillen tussen versterkers uiteraard veel kleiner dan die bij luidsprekers.

De vervorming in de hoge middentonen en het hoog lag in de jaren zestig en zeventig veel en veel hoger dan nu, vooral bij de plaat. Dat betekent direct dat heel veel vervorming werd toegeschreven aan de luidsprekers, terwijl de bron de oorzaak was. En bedenk dat een betere luidspreker dat alleen maar beter laat horen! Kijk je naar de technische gegevens van opname apparatuur uit die tijd – microfoons, regeltafels en vooral bandrecorders – dan zie je dat het bij 12kHz wel ophield. Wat overigens helemaal geen drama is, eerder een verstandige beperking, gezien de ellende die daarboven kan optreden. Maar ondanks die beperking was de bandrecorder qua klank ruimschoots de meerdere van de grammofoonplaat.

Nu met de moderne opnametechniek en –procedures is het spectrum over het geheel gezien veel ruimer en schoner, ook de ruis die vaak invloed op de klank had, is weg, met als gevolg dat het eindresultaat echt anders klinkt en tot een ander oordeel leidt. Verschillen die we konden horen werden beperkt door een reeks van factoren die tegenwoordig veel minder, vaak nauwelijks nog een rol spelen. Dat uit zich in de hoorbare verschillen tussen bijvoorbeeld versterkers en zéker luidsprekers die vroeger niet opvielen. Door het betere bronmateriaal nu wel.

 

<< Terug