quad versterker, quad luidspreker, revisie, ombouw, reparatie
Armand van Ommeren
Kerkstraat 56
4854 CG Bavel
The Netherlands
0161-432 451
06-225 68 967
armand@quadrevisie.nl
KvK Breda 20064173



<< Terug
 

Vintage & Buizen (en andere onzin...)



Deze overpeinzing is niet bedoeld om mensen op de tenen te staan of om aan te geven “hoe het moet”. Ik wil velen aan het denken zetten om teleurstellingen te voorkomen. Want je leest het steeds meer: in vrijwel elke advertentie kom je de term “vintage” tegen, alsof het een voordeel zou zijn dat een apparaat kennelijk zichzelf heeft overleefd? Zeker, bij die apparatuur zitten juweeltjes, maar dat is niet omdat ze vintage zijn – wat eigenlijk op de jaren dertig slaat en niet op de jaren zeventig – maar omdat ze van een zeer goed ontwerp zijn. Zoals bepaalde apparatuur (maar lang niet alles!) van Quad, Garrard, Thorens, Revox, Lenco, Leak, Radford en vele anderen. Een Garrard HF4 platenspeler valt daar buiten: destijds een gaaf ding maar nu gewoon een oude platenploeg die ongebruikt in een afgesloten vitrine hoort te staan om naar te kijken en te voorkomen dat iemand er een plaat op legt...

Armand van Ommeren © Quadrevisie® 2020




Denk aan Garrard, het roemruchte merk uit Engeland dat in de jaren zestig uitkwam met de SP25 platenspeler en even later met de LAB80 die ook hoge ogen gooide. Kort daarop werd het hele programma van Garrard en dat van Lenco van hoog tot laag verpletterd door de Dual 1019 – nog steeds een juweel – die niet alleen een voortreffelijke draaitafel had met zeer lage rumble cijfers maar ook nog eens een voortreffelijke arm waar je geen SME voor hoefde te kopen. En dat gold voor de hele reeks Duals t/m de latere direct drives. Zoekt u een geweldige speler: dat is de aangewezen keus. Gelukkig zijn ook hier sommige enthousiasten actief om ze in stand te houden.

Veel apparatuur die onder de, wat mij betreft, onterechte noemer “vintage” wordt aangeboden, is gewoon nog actueel! Een Dual 1019 is niet vintage, wel oud, maar nog uitstekend (mits er goed mee is omgegaan). Een Garrard HF4 is wel “vintage”: compleet achterhaald, hoe schattig ook. Voorbeelden te over: “vintage” is achterhaald en niet meer van deze tijd, en in die zin wordt de term meestal onterecht gebruikt. Het is net als met klassieke auto’s: er zijn juweeltjes, maar het meeste is gewoon "oud roest".

Garrard SP25



Natuurlijk is het leuk om oudere spullen te verzamelen en op te knappen en ze voor het nageslacht te bewaren, hoewel de musea langzamerhand wel overvol raken van spullen die aandoenlijk en soms bewonderenswaardig zijn, maar beslist de gebruikstermijn voorbij zijn. En hoe uniek is iets waarvan er miljoenen zijn gemaakt? En als het zeldzaam is, wat je vaak leest, is dat meestal omdat het onverkoopbaar bleek te zijn! Zeker, ik kijk ook regelmatig naar aanbiedingen van bijvoorbeeld de Garrard 401 draaitafel, die ik ooit had met de Ortofon RS 212 arm – ook zo’n voortreffelijke sobere arm, nog steeds – maar dan kijk ik naar de Technics SL-1200/2 met SME 3009 Improved die ik nu gebruik en realiseer me dat er buiten het nostalgische gevoel weinig of geen argumenten over zijn: in technische zin is vergelijken niet mogelijk en in praktische zin ook niet. Alleen al de snelstart van de Technics zou ik niet willen missen. En zo zijn er talloze voorbeelden te geven. Slechts in een enkel geval overleeft een ontwerp de ouderdom en is het opgewassen tegen de nieuwe tijd, zoals de Quad 33/303 die na een grondige opknapbeurt en met correcties uitstekend mee kan en nog steeds een groot deel van het moderne aanbod achter zich laat. Wat ook bij Quad niet van alle ontwerpen kan worden gezegd.

Garrard 401



Andere hobby
Daarmee wil ik zeker niet stellen dat het allemaal onzin is: het is voor velen een onschatbare hobby om oude spullen een tweede leven te geven. Dat kan zijn uit bewondering voor het ontwerp, de vormgeving of de praktische bruikbaarheid. Zo is bijvoorbeeld de Bang & Olufsen Beomaster 4000 een bijzonder fraai ontwerp qua vormgeving en bruikbaarheid, in mijn ogen veel fraaier dan heel wat “masters” die erna kwamen. Je komt ze echter zelden tegen. Of de sublieme M-70 luidspreker van dezelfde fabrikant en de Beogram 4000 – zeldzaam en veel aantrekkelijker dan de Beogram 4002 of de S-serie luidsprekers die je steeds ziet langskomen. Iets dergelijks geldt voor Thorens waar voor de TD 124 astronomische bedragen worden neergeteld, net als voor de al genoemde Garrard 301 en 401, wat onzinnig is als het om prestaties gaat: latere Thorens modellen zijn verre te prefereren en als het om prestaties gaat kun je gewoon niet om Dual heen...

Dual 1229

Thorens 124




Veel van die zaken zijn een leuke hobby maar al te vaak worden ze gepropageerd als een oplossing en een richting die anderen ook zouden moeten gaan. Zo werd ik gebeld door iemand die op de zolder van zijn vader een oude Garrard 301 vond compleet met een SME 3012 arm en een Ortofon SPU element. Schitterend spul dat je moet koesteren. Deze beller ging onmiddellijk op zoek naar een versterker en luidsprekers uit dezelfde tijd om er een complete installatie van de maken en dacht uiteraard eerst aan buizen. Als dat je hobby is of wordt, prima, alleen realiseert zo iemand zich mogelijk niet waar hij aan begint? Het gaat dan niet alleen om muziek, maar zich beweegt op een voorbije tijd die wel interessant is en de moeite waard om behouden te blijven, tegelijkertijd echter een kant op gaat die later mogelijke wordt betreurd. Want veel van die spullen dienen te worden gerestaureerd, wat kostbaar tot zéér kostbaar kan zijn – € 5000 of meer voor een Garrard 401... – en waarvan het resultaat veelal niet in verhouding staat tot de moeite en het geld dat er wordt ingestoken. Ik bedoel dat niet negatief, waarschuw alleen voor het effect dat je een hobby wordt ingetrokken die je achteraf niet hebt bedoeld of gezocht? Ik probeer niemand ergens vanaf te praten, wil wel graag voorkomen dat men aan iets begint waarvan de kosten en het resultaat niet met elkaar in verhouding staan: bezint eer ge begint.

Buizen
Hetzelfde geldt voor buizen versterkers, om nog maar te zwijgen van buizen CD-spelers en andere flauwekul, dat is echt ernstig! Ik zie regelmatig versterkers langskomen van Lafayette (en talloze klonen) die aangeboden en verkocht worden voor het dubbele van de nieuwprijs (was medio jaren zestig fl. 298,--). En dat waren destijds al tamelijk zwakke ontwerpen vanwege de veel te krap bemeten uitgangstrafootjes. Of een Philips AG9016 met 2 x 2W die meer dan € 200 opbrengt wat helemaal nergens op slaat: € 25 is goed betaald voor dit toch niet meer dan speelgoed versterkertje, schattig maar nutteloos. Ze werden destijds – medio jaren zestig – goed verkocht omdat ze inderdaad beter klonken dan de transistorversterkers uit de begintijd die werkelijk beneden elk peil waren en bol stonden van de crossover vervorming! En buizenversterkers – de goede dan, zoals de Quad II en (vooral) de Radford STA25 – klonken en klinken inderdaad geweldig goed. Dat neemt echter niet weg dat bij de komst van de Quad 303 en andere het overduidelijk was dat deze de meerdere was van de buizen voorganger zoals u in de test van Jan Kool elders op de site kunt lezen: ik zal die eerste ervaring nooit vergeten. N.a.v. Jan’s verhaal heb ik heel wat Radford eindversterkers nagebouwd, zowel in EL84 uitvoering met de AD9058 uitgangstrafo van Philips uit het HF309 bouwpakket, als met EL34 en Amroh U70BN uitgangstrafo’s (Unitran kon ik niet betalen!) – gecombineerd met nagebouwde Quad 33 voorversterkers... Maar zodra de financiën het toelieten, kwam er toch een echte en dat was de Quad 33/303 combinatie.

Quad II buizen eindtrap



In de advertenties op Marktplaats e.a. kom je steeds meer versterkers en tuners tegen die worden aangeprezen omdat er buizen in zitten. Uitgezonderd een paar juweeltjes als de al genoemde Quad II buizen eindtrap en de dito Radford STA25 en een enkele andere uit Engeland zoals Lowther en Leak, of Japanse exoten zoals Luxman, is er geen enkele reden om zulke buizen ontwerpen te prefereren. De betere transistor versterkers van Marantz, Luxman, Pioneer, Sansui, Sony, Quad en vele anderen zijn zonder meer beter dan 98% van het hele buizenaanbod uit het verleden. Zo zag ik aanbiedingen van de Quad FM2 buizen FM-tuner, in feite gewoon de oude FM-tuner die bij de QC22 voorversterker hoort, voor onzin bedragen hoger dan een Quad FM3 die verre te prefereren is.

Luxman

Radford STA 25




Als gezegd: niets tegen buizen als dat je hobby is, het leuk vindt of wat dan ook. Ga echter niet roepen dat ze beter zijn dan veel modernere ontwerpen. Het is een andere hobby en dat beoordeel je nu eenmaal anders.

Vinyl
Iets dergelijks geldt voor vinyl. De reden dat velen zich storten op een vinyl hobby is deels uit nostalgie, deels omdat het aanbod gigantisch is. En er zitten juweeltjes tussen, muzikale wel te verstaan! Met de komst van de CD en streaming (waarbij velen zonder het in de gaten te hebben naar MP3 zitten te luisteren!) is het aanbod aan overbodig geworden of ongebruikte grammofoonplaten zó groot geworden dat de prijs net als de rente negatief aan het worden is. Hier in de buurt zit een bedrijf dat zo’n 250.000 LP’s in de aanbieding heeft en als je je platen wilt verkopen mag je ze gratis neerzetten .... De verkoopsprijzen zijn vanaf € 7,99 ....

Op LP zijn geweldige opnamen verschenen waarvan vrijwel alle ècht belangrijke inmiddels op CD zijn heruitgegeven. Niet altijd zijn die verdoekingen goed van kwaliteit, maar dat zijn LP’s ook niet: er is op LP enorm veel rommel verschenen: kromme, hobbelige, krakende en excentrische platen die we maar beter kunnen vergeten. Zijn we die ellende al vergeten? De afgrijselijke vervorming aan het einde van de plaat als de naald alle vuil van het voorliggende traject had verzameld en de modulatie naar maximum ging en moeiteloos 20% vervorming werd gehaald? En al die prachtig opgenomen Decca’s die één groot feest van spetters en kraken waren? Een recensent van Gramophone merkte eens op dat Decca kennelijk vergeten was zijn recentie-exemplaar door het zaagsel te halen toen hij er een had die niet kraakte... Later zijn veel opnamen uitgekomen op DMM platen (Direct Metal Mastering van Telefunken/Decca); een enorme verbetering. Gek genoeg hoor ik vinyl enthousiasten zelden of nooit over zoiets belangrijks? En niet te vergeten het snijden op halve snelheid, eveneens een belangrijke stap. Maar wel over “direct gesneden platen” die bol stonden van de vervorming omdat ze overgemoduleerd waren. Dat de muziek die erop stand totaal oninteressant was – Boyd Neal bijvoorbeeld – daar had niemand het over. De prijs lag wel rond de 70 gulden...

Neumann snijtafel



Over de muzikale en emotionele waarde van veel opnamen hoeven we het dus niet te hebben, wel over een hele berg rommel die maar beter kan worden vergeten. Net zo goed als dat er slechte CD’s zijn, zijn er ook heel veel slechte LP’s en dan hebben we het nog niet eens over beschadigingen en de kwetsbaarheid. Een ernstig probleem van de LP is als gezegd ook dat de maximale modulatie vaak tegen het einde van de muziek zit en dat is precies het moeilijkste punt van de plaat: de groefsnelheid is daar het laagst terwijl de modulatie het hevigst is. Het is niet voor niets dat je de fouthoek van de arm/element combinatie altijd bij het einde zo laag mogelijk moet instellen. Aan het begin van de plaat is de groef per tijdseenheid het langst: aan het begin is de omtrek ca. 90 cm en aan het einde zo’n 36 cm. Per tijdseenheid is dat aan het einde 20 cm/s en aan het begin ca. 50 cm/s. En juist bij die krappe 20 cm/s bevinden zich de zwaarste modulaties. Dat zijn praktische problemen waar men wel heel gemakkelijk aan voorbij gaat. Bij de CD ligt dat anders: die heeft een variabele rotatiesnelheid en een constante groefsnelheid en datastroom: daar maakt het geen verschil of je aan het begin of het einde van de schijf bent, de modulatieruimte is overal hetzelfde. Uiteraard heeft elk systeem zijn systeemgebonden problemen en dat geldt ook voor de digitale registratie, maar die zijn zowel theoretisch als praktisch van een geheel andere ordegrootte als bij een LP. En aan een slechte opname kan natuurlijk het beste systeem niets meer veranderen. Terug naar de LP.

Jaren geleden was ik op bezoek bij de Ortofon fabriek in Kopenhagen en daar liet men een zeer interessante proef zien: op een Thorens draaitafel had men twee Ortofon RS 212 armen BOVEN OP ELKAAR gemonteerd: de bovenste stond met zijn naald op de kop van de onderste en de onderste speelde gewoon een plaat af. Het signaal van het bovenste element was aangesloten op een versterker met luidsprekers en daar kwam een redelijk onvervormd (mono) signaal uit. Ik was jaloers want dat was een proef die ik altijd had willen nemen... Het geeft zonneklaar aan hoeveel signaal er zelfs in een uitstekende arm als de RS 212 verdwijnt en dat dus àf gaat van het signaal dat u zou willen horen? Hetzelfde verschijnsel doet zich overigens voor bij luidsprekers: zet maar eens een stethoscoop op de kast van uw luidsprekers en u schrikt van wat daarin verdwijnt. Een luidspreker zonder kast zoals een elektrostaat is op dat punt al meteen in het voordeel: daar verdwijnt vrijwel niets.

Een laatste punt in de vergelijking is nog op welke apparatuur men afspeelt? Dat geldt zowel voor de LP als de CD, maar de spreiding bij LP’s is uiteraard groter dan die bij CD’s. Uitgaande van de opname kan er in de bewerking die uiteindelijk een LP oplevert nog heel wat misgaan en veranderen. Bij een CD is de digitale opname het vaste uitgangspunt en de marge in het productieproces is vrijwel 0. Het snijden, corrigeren, aanbrengen van de RIAA correctie, de negatieve master, de positieve master, het persen, de draaitafel, welk element?, welke naald en de staat ervan, de voorversterker met RIAA correctie hebben bij elkaar een vele malen grotere invloed op het eindresultaat dan het hele productieproces van de CD inclusief de speler. De verschillen tussen elementen vanaf de Philips GP 400 t/m een Denon DL-304 zijn niet alleen prijstechnisch gigantisch maar ook hoorbaar enorm. En er mogen verschillen zijn tussen goedkope CD-spelers en kostbare, van de CD 100 van Philips t/m de DP-400 van Accuphase, die verschillen zijn veel kleiner. En de verschillen tussen LP’s en CD’s ook.

Zo komen we onvermijdelijk in de discussie van wat we wel en niet mooi vinden. En dat is prima: laten we vooral genieten van wat we mooi vinden en het niet gaan zoeken in technische argumenten die a) niet kloppen en b) niet nodig zijn om onze waardering te ondersteunen. Geniet gewoon, ieder op zijn eigen manier.

High End
Een categorie die vaak wordt genoemd maar helemaal niet bestaat. Overigens bestaat de categorie High Fidelity – kortweg HiFi – ook niet afgezien van een poging van het Duitse DIN-instituut er een norm van te maken: DIN 45500. Die was echter zo minimaal gekozen dat zelfs een kapotte autoradio er nog aan voldeed...

Jammer want in zijn kielzog nam die domme norm ook vele goede zaken van het DIN Instituut mee en bezorgde het volstrekt onnodig een twijfelachtige naam.

Het zijn allemaal suggestieve aanduidingen van kwaliteit die niet zijn omschreven en waarmee je dus alle kanten op kunt; wat overblijft is de suggestie van kwaliteit, waarvoor ook de al eerder genoemde termen als vinyl, vintage en buizen tegenwoordig worden gebruikt.

Al jaren geleden heb ik een storm van protest over me afgeroepen (naast ook veel bijval!) toen ik in Luister de aanduiding “High End” aan de kaak stelde als al te vaak uitsluitend betrekking hebbend op glimmers en prijs. Wat niet wegneemt dat er heel wat zogeheten High End spullen zijn die erg goed en bijna altijd mooi afgewerkt zijn. Helaas vinden we er ook heel vaak dezelfde denkfouten als bij de wat “gewonere” apparatuur zoals krankzinnige ingangsgevoeligheden zoals 100mV voor CD wat absurd is, terwijl het bij pickup elementen doorgaans dan ineens weer wel klopt? Moet ook vaak denken aan de geweldige uitspraak van Keith O’Johnson van Reference Recordings waar ik jaren geleden een interview mee had in Chicago (elders op de site) en die stelde dat men in die kringen een theorie opstelt – hij sprak over luidsprekers – dan het ding gaat bouwen, wat vervolgens voor geen meter klinkt, waarop het helemaal wordt gewijzigd en verbouwd. Als het dan uiteindelijk wel klinkt, stelt men vast dat de theorie juist was.... Zijn eigen theorieën rond het maken van opnamen zijn overigens bijzonder sober en sterk. Hij werkt met maximaal zes microfoon, altijd in symmetrische opstelling – links en rechts gelijk en evenwichtig geplaatst en op hetzelfde niveau. Geen regeltafel, microfoons rechtstreeks naar een passieve mixer en direct op links of rechts. Dus maximaal drie stuks op links en drie stuks op rechts. Hij zit net als u in de huiskamer gewoon te luisteren naar twee Quad ESL-63 luidsprekers met een klein kastje in de hand waarmee het niveau van de microfoons wordt geregeld. Die man snapt het, wat aan zijn opnamen zeer goed is te horen. Luister bijvoorbeeld naar de Symfonische Dansen van Rachmaninov met het Minnesota Symphony Orchestra.

High End betekent ook dat alles wat handig is wordt weggelaten, zoals de klankregeling. En ik blijf vinden dat je niet zonder klankregeling kunt, al was het maar omdat geen twee luisterkamers hetzelfde zijn en uw kamer in elk geval veel kleiner is dan de regelkamer en/of afluisterruimte in de studio of opnamelocatie of de winkel waar u bent gaan luisteren. Het is een vorm van purisme die op zichzelf goed is bedoeld, maar door onbegrip van het systeem haar doel volledig mist en zelfs tegenwerkt. De Cancel (of Direct) toets op veel versterkers is ook niet bedoeld om persé ingedrukt te blijven, maar om het ongecorrigeerde signaal met het gecorrigeerde te kunnen vergelijken.

<< Terug