quad versterker, quad luidspreker, revisie, ombouw, reparatie
Armand van Ommeren
Kerkstraat 56
4854 CG Bavel
The Netherlands
0161-432451
armand@quadrevisie.nl
KvK Breda 20064173



<< Terug
 

Mythen & Mystiek.. - Achtergronden bij een muzieksysteem



© Armand van Ommeren, Voormalig Audioredacteur Luister

Luistertests

Strijkers

Begin met verscheidene stukjes waarin strijkers de dienst uitmaken. Dat is omdat strijkers in verreweg de meeste muziek voorkomen en erg kritisch zijn. Ze klinken al snel schel en irritant. Vooral luidsprekers zijn daarin de boosdoeners. Maar ook de hardnekkige slechte gewoonte om veel te hard af te spelen is een factor. Speel een veelzijdig programma – van klein werk tot het grote, solo-instrumenten en solozang. Drums en andere spectaculaire zaken dienen te worden vermeden: het zegt niets en elke luidspreker kan het. Ik zou bijna zeggen hoe slechter de luidspreker, hoe spectaculairder het klinkt. Voor gevorderden is ruis een overweging: ruis moet klinken als ontsnappende stoom; bij een vergelijking op dat punt in een winkel zult u zich rot schrikken van de verschillen. En dat zegt dan iets over het direct omschakelen van luidsprekers: nooit doen en weglopen als men het u opdringt! Vergelijk eigenlijk nooit in een winkel. Men kan u wijsmaken wat men wil: de ruimte is groter dan uw kamer, over de aansluitingen weet u niks en de wijze van demonstreren kan u – bedoeld of onbedoeld – in een bepaalde richting duwen. Plus het feit dat alle luidsprekers in de ruimte die geen geluid geven, als een soort Helmholz resonator werken: zij absorberen selectief het geluid van de luidspreker die wel speelt en wel met het omgekeerde van hun eigen karakteristiek. Daarom getuigt het van inzicht wanneer een handelaar elk systeem in een afzonderlijke ruimte heeft opgesteld. Je moet er natuurlijk wel de ruimte voor hebben. Ik heb van dit verschijnsel eens een hele fraaie demonstratie meegemaakt. Ik was op bezoek bij pianist Bert van den Brink die een hele fraaie Steinway bezat (dat ligt minder voor de hand dan het lijkt!). In de hoek van de kamer stond een gewone piano die Bert gebruikte om met anderen samen te spelen en voor lesgeven. Van die kleine piano was het hele toetsenblok verwijderd om te worden gerestaureerd, wat betekende dat alle snaren vrij hingen. Toen Bert iets speelde op de Steinway, deed de kleine piano mee! Precies dezelfde snaren van de kleine piano werden aangestoten door de aangeslagen frequenties van de Steinway. Dat effect treedt bij luidsprekers in een winkel ook op, al merkt u daar niets van. Tot u ze verwijdert natuurlijk.

Laagweergave
Wanneer in de geluidtechniek over ‘laag’ wordt gesproken duiken altijd dezelfde misverstanden op. Hoe lager hoe beter wordt veelal gesteld, waarbij de frequentie aanduiding meestal als een kwantitatieve opgave wordt gezien. Dat is bepaald onjuist. In de eerste plaats bedoelt dit cijfer aan te geven tot welke frequentie de luidspreker komt en niet de kwantiteit ervan. En in de tweede plaats is het ook veel belangrijker HOE het laag wordt gereproduceerd dan HOEVEEL laag er uitkomt. Dàt kunt u aan geen enkel cijfer aflezen, ook al omdat de kamer daar een beslissende rol in speelt. Vervelend is ook dat de gemiddelde Nederlands doorzonkamer door de lengte/breedte verhouding en de afmetingen altijd ergens rond 80 Hz een stevige piek heeft zitten – zo rond de D van het grote octaaf – waar weliswaar in fundamenteel opzicht weinig aan is te doen, maar die wèl tot op zekere hoogte is te onderdrukken. Interessant is dat het al een straatlengte scheelt wanneer u de luidsprekers niet in de lengte de kamer in laat stralen: probeer het eens in de breedte en zet de luidsprekers vooral niet te laag bij de grond en al helemáál niet direct op de grond. Tenzij ze daar speciaal voor zijn bedoeld. Experimenteer ook eens: het verbaast mij telkens weer dat zo weinig mensen echt met de luidsprekers schuiven om een goed klinkende plaats te vinden. Het kan zo enorm veel uitmaken en juist in het laag. Op (dik) tapijt zijn spikes aan te bevelen, maar op andere vloerversieringen zijn sierstenen of gewone bakstenen of een trottoirtegel uitstekende hulpmiddelen. Vaak beter dan voeten, tegenwoordig 'stands' geheten. Vaak worden duizenden guldens uitgegeven aan de luidspreker maar er wordt geen enkele poging gedaan die investering optimaal tot zijn recht te laten komen. Een goede manier om de luidsprekerpositie uit te testen is het luisteren naar het nieuws. Op één luidspreker en stel het volume zo in dat u zich voor zou kunnen stellen dat de nieuwslezer de kamer staat. Verplaats vervolgens de luidspreker: omhoog (boeken eronder), keukenstoel, naar de hoek, uit de hoek, zowel naar voren als naar opzij. Laat daarbij de klankregeling middenpositie staan en de stereo/mono-schakelaar (indien aanwezig!) op mono. Bedenk dat de menselijke stem behoorlijk veel lage frequenties bevat, maar teveel wordt heel snel onnatuurlijk. U zult al schuivend merken dat de opstelling erg veel invloed heeft. Wanneer u dat met één spreker heeft gedaan, herhaalt u het vervolgens ook met de ander. Tenslotte nog even de puntjes op de i met beide luidsprekers en de versterker weer op stereo. Wanneer u nu muziek draait, zal het u opvallen dat het en rustiger klinkt dan voorheen. Let vooral op die gebieden waar stem en piano in elkaars vaarwater komen: de stem en de snaren zijn bij slechte opstelling in bepaalde regionen niet van elkaar te onderscheiden. Iets waar overigens heel veel luidsprekers ook problemen mee hebben.

Een andere handige manier om tot een optimale opstelling te komen, is de rollen omdraaien: zet een luidspreker op uw luisterplaats, speel muziek in mono op die luidspreker af en ga daar waar u de luidsprekers ongeveer wilt hebben luisteren. Beweeg uw hoofd omhoog en omlaag, naar links en rechts om er achter te komen wat de beste plaats is. Daar zet u dan de luidsprekers neer.

Aansluitingen
Het maken van goede verbindingen tussen de verschillende onderdelen van uw systeem is van het grootste belang. Wanneer het gaat om de lichtnetaansluitingen in de eerste plaats vanwege de veiligheid en voor wat betreft de signaalkabels ook voor de geluidskwaliteit.

Aandacht voor de aansluitingen en verbindingen van uw installatie werpt direct vruchten af. En daarmee bedoel ik niet dat u naar de winkel moet om nieuwe kabels te kopen. Geenszins. Ik be- doel dat velen na aanschaf haast hebben om het nieuwe geluid te proberen, even snel aansluiten en vervolgens die aansluitingen nooit meer zorgvuldig opnieuw maken. Het loont zonder meer de moeite er eens de tijd voor te nemen alles schoon te maken, eventueel op lengte te maken, adapters te verwijderen en nieuwe pluggen aan te zetten. Luidsprekerkabel afknippen, schroeven schoonmaken en eveneens opnieuw aanzetten. Oudere verbindingssnoeren vervangen, zeker wanneer de pluggen wat gammel zijn. Maak ook de aansluitingen op de versterker goed schoon.

Lichtnetverbindingen
In veel installaties staan de diverse apparaten boven elkaar. Neem er eens een middag voor en maak eens een pasklaar op lengte geknipt verlengsnoer; vervang al die losliggende snoeren en driewegstekkers door een of twee meervoudige dozen, die u achterin de kast vastzet. Knip de- snoods alle netsnoeren op de juiste lengte af en bind ze samen. Houd indien mogelijk signaalka- bels en lichtnetsnoeren uit elkaar: lichtnetsnoeren links en signaalkabels rechts bijvoorbeeld. Verlengkabels dienen vermeden te worden, daarmee maakt U alleen de kans op brom en storingen groter.

DIN en cinch (tulp – Revox - RCA)
Een niet uit te roeien mening is dat DIN ouderwets zou zijn en cinch modern. En natuurlijk dat cinch daardoor veel beter zou zijn. Niets is minder waar: nog los van het feit dat moderner de laatste tijd zelden beter is, zijn cinch pluggen veel ouder dan DIN. Ze stammen van vóór de Eerste (!) Wereldoorlog. DIN stamt uit de jaren vijftig en is gewoon beter. Cinch zijn knelcontacten en gaan altijd kraken, DIN zijn schraapcontacten en altijd beter.

Luidsprekeraansluitingen
Maak minstens eens per jaar de luidsprekerkabels los, knip de laatste centimeter er af en monteer ze opnieuw aan de versterker. Maak ook de aansluitingen van de versterker schoon. Wees niet verbaasd wanneer dit een hoorbaar verschil oplevert! Het is niet nodig honderden of duizenden guldens aan kabels uit te geven; maar het goedkoopste schemerlampsnoer is beslist niet goed ge- noeg. Koop gewoon eerlijk koperdraad van voldoende dikte, dat voor een redelijke prijs te koop is. Vuistregel: tot 4 meter een dikte van 2,5 mm2 en daarboven 4 mm2.

CD-spelers te kust en te keur
U koopt al een CD-speler voor pakweg 400 gulden. Sommige technische fanaten gruwen van zoiets, maar anderen zijn er – terecht – blij mee. Het andere uiterste van de prijsschaal laat bedradingen van vele tientallen guldens zien. Toch is er sinds het (bijna) verdwijnen van de platenspeler fundamenteel wel iets veranderd. De goedkoopste CD-speler van nu is veel beter dan de goedkoopste platenspeler van 10 jaar geleden en het verschil tussen de duurste en de goedkoopste CD-spelers is ook veel kleiner dan het verschil tussen het goedkoopste en het duurste pickup-element.Waaruit we de conclusie mogen trekken dat we nu als muziekliefhebbers een stuk beter af zijn. Daarom is het een beetje jammer dat er in de commercie voortdurend zaken opduiken die mensen schuw maken: dat was het geval bij de videobanden die volgens het NOB aan een soort 'betonrot' ten prooi zouden vallen en hetzelfde speelt rond de CD die zou gaan roesten daarom van goud gemaakt zou moeten zijn. Het gekke vind ik dat men blijkbaar niet door heeft dat dergelijke commerciële ingevingen, bedoeld om de clientèle in een bepaalde richting te drukken en zo de omzet te verhogen, een volstrekt averechts effect hebben. Zo hebben zich heel wat mensen van de HiFi afgekeerd omdat het aankopen van een CD-speler bij de handelaar een stortvloed aan ongevraagde informatie opriep over de noodzaak van het inruilen van versterker en luidsprekers, 'want die waren niet voor digitaal geschikt'. Op dezelfde manier gingen ook serieuze fabrikanten het verkeerde pad op met kreten als ‘digital monitor’ en ‘digital proof’. Allemaal commerciële larie. Jammer dat de Consumenten Bond dáár niet tegen keer gaat! Het gevolg is dat de klant teleurgesteld zijn aandacht op wat extra accessoires voor de auto of boot richt en volstaat met een goedkope CD-speler uit een supermarkt of de Makro. Begrijpelijk. Hetzelfde is gebeurd met de strijd rond de bits: aanvankelijk waren vrijwel alle CD-spelers van het 14 en 16 bit type, maar later werden dat er steeds meer. Eerst de 18 bitter, toen 20, met tussendoor nog de 17 bitter van Grundig en dan ineens de 1-bitters van Technics, Sony en Philips. Op zichzelf allemaal begrijpelijke ontwikkelingen, behalve dan het absolutisme waarmee het in de pers vaak wordt gepresenteerd. De verschillen zijn klein en blijven klein. Je kunt best stellen dat bij erg grote hoorbare verschillen getwijfeld mag worden al de kwaliteit van de vergelijking. Wat niet alleen voor CD-spelers geldt, maar voor alle componenten. Eens te meer geldt hier: niet het systeem is doorslaggevend, maar de zorg waarmee het wordt toegepast. Een stelling die overigens in elke tak van de techniek opgaat.

Lees in dit verband ook het interessante interview met Rudy van Gelder elders op de site.

Wat valt er te testen?
In principe moet ervan uitgegaan worden dat iedereen voor zichzelf kan beoordelen wat mooi en wat niet mooi is. Dat is vrij eenvoudig te doen en dat is een persoonlijke zaak. Natuurlijk. Maar net zo goed als het kiezen van wijn de eerste keer heel anders uitpakt dan na tien jaar proeven, is het bij geluid ook wat moeilijker dan het lijkt. Direct na de aanschaf van b.v. een paar luidsprekers is alles prachtig, maar na een half jaar luisteren kan dat toch zwaar tegenvallen. Al was het maar omdat de luisterruimte van de winkel vrijwel altijd aanzienlijk groter is dan uw huiskamer, waardoor de beruchte boem-effecten rond 80 Hz in de winkel niet en in uw huiskamer wèl optreden. Als eerder gezegd heeft u daar in uw kamer aanzienlijk minder last van wanneer u de luidsprekers in de breedte laat stralen en niet in de lengte. Een verkeerde keus is gauw gemaakt, dan wordt het inruilen geblazen en als we niet uitkijken maken we weer dezelfde fout. Belangrijk daarbij is het feit dat een opvallend goede eigenschap na verloop van tijd bijna altijd irritant wordt als een opvallend slechte! Opvallend wordt bijna altijd irritant. Bij luidsprekers kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat de àfwezigheid van slechte eigenschappen belangrijker is dan de aanwezigheid van goede! Onopvallende luidsprekers zijn per definitie beter dan opvallende!

Bij het kopen van apparatuur verdient de luidspreker altijd de meeste aandacht. Direct daaraan gekoppeld de versterker, naast de kwaliteit vooral de mogelijkheden en het vermogen. Ik blijf erop wijzen dat een klankregeling slechts moeilijk kan worden gemist, omdat niet alle opnamen dezelfde klankbalans hebben en niet alle kamers hetzelfde zijn. De klankregeling is er juist voor om fouten in de combinatie kamer/luidspreker corrigeren. Daaruit volgt al meteen dat het een groot misverstand is dat een klankregeling altijd in het midden zou moeten staan. Het is prettig wanneer de klankregeling uitschakelbaar is, maar weglaten vind ik onverstandig. In dit verband zijn ook de 'CD-Direct' en andere directe schakelingen strikt theoretische verschijnselen: ik heb nog maar zelden een versterker meegemaakt die hier werkelijk voordeel van heeft; het tegendeel wèl!

Dynamiek, ruisafstand en vermogen
Dynamiek is het verschil in sterkte tussen de zachtste en de luidste passages van de muziek
Ruisafstand is het verschil in niveau tussen het luidste signaal en de eigen ruis van het systeem
Vermogen is het maximale signaal dat de versterker aan de luidsprekers kan afgeven

Was jaren geleden de frequentiekarakteristiek dé heilige koe in de geluidtechniek, nu is dat al geruime tijd de dynamiek. Wanneer we met dynamiek de ruisafstand bedoelen – en dat is meestal geval, maar onjuist – dan zijn we door de komst van de digitale techniek met sprongen vooruit gegaan. In theorie althans. In de praktijk ligt dat veel genuanceerder en voor een goed begrip van de betekenis van dynamiek, ruisafstand en vermogen is het verstandig dit eens naast elkaar te zetten.

In de eerste plaats heeft elke ruimte een eigen stoorniveau waardoor een minimaal signaalniveau nodig is om sowieso iets te kunnen horen. Beneden dat niveau hoort u het signaal van uw muzieksysteem niet, het verzuipt in het omgevingsgeluid. Daarmee is de onderkant van het hoorbare gebied al afgebakend. De bovenkant wordt bepaald door een aantal factoren: het vermogen van uw versterker, de belastbaarheid van uw luidsprekers en het incasseringsvermogen van huisgenoten of zelfs buren. Wanneer we er voor willen zorgen dat geen van deze factoren oververhit raakt, dan dienen we niet over die bovengrens heen te gaan. Laten we het gemakkelijk houden en aannemen dat die grens wordt bereikt bij het toevoeren van 50 watt aan de luidspreker. Nemen we nu aan dat een dynamiek van 50 dB (een verhouding van 1 op 100.000) een goede richtwaarde is, dan moeten we eens kijken naar de consequenties van deze uitgangspunten. Terug naar het zachtste geluid.

Zou een dynamiek van 50 dB in de huiskamer hoorbaar gemaakt moeten worden, dan nemen we als basispunt het zachtste nog hoorbare geluid in een behoorlijk stille huiskamer met een omgevingsgeluid van 30 dB(A). Bij een redelijk gemiddelde luidspreker met een rendement of gevoeligheid van 89 dB SPL zal daar een versterkervermogen van 0,5 mW oftewel 0,0005 watt voor nodig zijn. Jan kool en ik hebben dat destijds uitputtend geprobeerd en kwamen steeds op die waarde. Om nu een zacht staat tot hard verhouding van 1 op 100.000 (50 dB) te kunnen realiseren, is voor de luidste passage in de muziek een vermogen nodig van 100.000 maal 0,0005 watt is 50 watt. Hierbij moeten we wel aantekenen dat a) die 0,5 mW muzikaal gezien te zacht is om praktisch enige betekenis te hebben: het is te zacht om muzikaal te worden geïnterpreteerd. Anderzijds is 50 watt in heel veel gevallen ook niet goed te realiseren. Zouden we beide uitgangspunten, minimum en maximum, naar realistischer waarden corrigeren, dan lijkt een maximale dynamiek van 40 dB (verhouding 1 op 10.000) in de praktijk aanzienlijk beter te hanteren.

Om de ondergrens van 30 dB(A) in de huiskamer te verbeteren zouden wel heel stringente maatregelen moeten worden genomen, maar in zekere zin is daar nog wel winst te behalen. Het maximale vermogen verhogen naar bijvoorbeeld 100 watt is totaal zinloos, want dat zet geen zoden aan de dijk. Elektrisch is het 3 dB meer, maar akoestisch slechts 1,2 dB. Zelfs een vermogen van 500 watt is wel 10 dB meer (elektrisch), maar akoestisch nog maar 3 dB (het dubbele) en zo’n vermogen overschrijdt doorgaans het incasseringsvermogen van zowel luisteraar als omgeving en van de ramen..

Zouden we uitgaan van de maximale dynamiek in werkelijkheid – die bedraag ca. 100dB(A) – en van de zachtst bruikbare signalen bij 0,5 mW, dan zouden we in de luidste passages een vermogen van 10.000.000.000 maal 0,5 mW = 5.000.000 watt nodig hebben. Uw woning ondergaat dan hetzelfde lot als de muren van Jericho...

Bij een dynamiek van 100 dB hebben we 5.000.000 watt nodig;
Bij een dynamiek van 90 dB zakt dat naar 500.000 watt;
Bij een dynamiek van 80 dB naar 50.000 watt;
Bij een dynamiek van 70 dB naar 5.000 watt;
Bij een dynamiek van 60 dB naar 500 watt;
Bij een dynamiek van 50 dB naar 50 watt;
Bij een dynamiek van 40 dB naar 10 watt;
Bij een dynamiek van 30 dB naar 1 watt;
Bij een dynamiek van 20 dB naar 0,1 watt;
Bij een dynamiek van 10 dB naar 10 mW

Het maakt bij dit alles niet bijster veel uit waar we het uitgangspunt leggen, je komt te allen tijde op absurde getallen die niet meer te hanteren, noch te verdragen zijn. Nog afgezien van het feit dat natuurlijk geen enkele luidspreker dit ook maar bij benadering kan verwerken. Het vergroten van het vermogen leidt wel tot grotere luidheid, maar niet tot een grotere dynamiek. Het stiller maken van de omgeving heeft hetzelfde effect, maar is meestal lang niet eenvoudig. Belangrijk is ook te beseffen dat de opname (CD, LP, band) de dynamiek bepaalt, niet de versterker. Het versterkervermogen heeft niets met de dynamiek te maken, hoogstens de mate waarin de gegeven dynamiek hoorbaar kan worden gemaakt: dat is een akoestisch probleem.
Zou je uitgaande van een bepaalde dynamiek het vermogen met b.v. 10 watt verhogen, dan betekent dit dat bij gelijkblijvende dynamiek de zachtste passages iets luider zullen worden en dus beter hoorbaar. De dynamiek is dan niet veranderd, wel de hoorbaarheid.

Het betoog leidt onvermijdelijk tot de conclusie dat een dynamiek van 90 dB waar men het bij digitale techniek steeds over heeft, in de huiskamer – èlke! – ridicuul is. Het is in de praktijk al moeilijk genoeg met 50 dB om te gaan (zoals we juist zagen) en is 40 dB eigenlijk wel genoeg. Dat klopt ook met de verhouding van de afmetingen van de ruimten: het Concertgebouw heeft een inhoud van ca. 19.000 m3 en daarin kan maximaal een dynamiek van 100 dB – dat is een verhouding van 1 op 10.000.000.000 tussen zachtste en luidste klanken – optreden. Nemen we nu een riante woonkamer van 100 m3 dan is de verhouding 190 tot 1 ofwel een factor 0,0052. Dat levert een verhouding op van 1 op 50.000.000. Maar het stoorniveau van onze huiskamer komt niet verder dan 30 dB, zodat er een factor 1000 afgaat en we een verhouding van 1 op 50.000 overhouden. Dan zitten we weer prachtig op 47 dB en heel dicht in de buurt van wat we daarstraks vanuit de versterker al bij elkaar hadden geredeneerd. Dat betekent zonneklaar dat een dynamiek in de huiskamer van méér dan 45 à 50 dB niet bruikbaar en niet realistisch is, waarmee het grootste deel van die hele onzinnige discussie de prullenbak in kan.

Ik begon met 'ruisafstand'. De ruisafstand – het woord is duidelijk: het verschil in niveau tussen het signaal en de ruis – kan natuurlijk veel groter zijn dan de dynamiek. Dàt is ook de winst van de moderne digitale techniek. We hebben een dynamiek nodig van zeg 45 dB en zou de ruisafstand daaraan gelijk zijn, dan horen we de ruis steeds wanneer de muziek wat zachter wordt en in de stiltes. Bij de digitale techniek wordt het signaal aan de bovenzijde van het dynamiekvenster gelegd, met een kleine veiligheidsmarge van 2 à 3 dB. Dat betekent dat de onderzijde – de zachtste passages – op ca. -52 dB komen te liggen en de ruis daar weer 40 dB (verhouding 1 op 10.000) onder; de ruisafstand van een CD bijv. is immers meer dan 90 dB. Dat verklaart waarom we de ruis van de digitale drager (CD of DAT) niet horen, want die ruis is 40 dB zachter. Hoogstens de ruis van de opname die erop is vastgelegd.

Even terzijde: veruit de meeste opnamen hebben een maximale uitsturing van 0 dB en vaak nog daarboven. Het zou een zegen voor de klank zijn wanneer men zou besluiten het maximum 6 tot 10 dB lager te leggen. Ik doe dit altijd en het geeft een duidelijk hoorbare winst. Gezien de enorme ruisafstand waarover we in het digitale domein beschikken, is hier niets tegen en alles voor te zeggen.

Er is – dat blijkt ook uit dit verhaal – een relatie tussen het benodigde versterkervermogen en de grootte van uw kamer. Heeft u een kamer van 3 x 4 meter, dan zakt de bruikbare dynamiek (volgens de voorafgaande redenatie) nog verder naar een verhouding van 1 op 18.000 en komen we op 42 dB. Daarmee is ook verklaard waarom soms een versterker die altijd goed is bevallen in een ander huis en een (veel) grotere kamer bij lange na niet aan het benodigde niveau komt. Je komt bij dit soort overwegingen ook bij het afluisterniveau op zichzelf. In studio's wordt vaak heel luid afgeluisterd en in een extreem stille ruimte, de regelkamer. Dat betekent dat men daar vaak een situatie aantreft die geen in enkele huiskamer haalbaar is. De combinatie van luid afluisteren en die stilte kan tot opnamen leiden die in de huiskamer een ongemakkelijk grote dynamiek hebben. Verder wordt ook de verhouding solist en orkest daardoor beïnvloed; veel opnamen hebben te lijden onder een overbelichte solist en een ernstig onderbelicht orkest.

Volumeregelaar
De sterkte- of volumeregelaar is de moeilijkste knop van elke installatie. Meestal veronderstelt men dat deze knop een vermogensregelaar is, maar dat is niet zo. De volumeregelaar regelt de versterkingsfactor tussen 0 en met maximum dat de versterker bezit. Gaan we uit van een versterker met een lijningang met een gevoeligheid van 100 mV (= 0,1 Volt) en een vermogen van 50 watt aan 8 ohm, dan levert de versterker maximaal aan de uitgang 20 Volt (20 x 20 : 8 = 50, het kwadraat van de spanning gedeeld door de impedantie geeft het vermogen in watt). Goed, onze versterker versterkt de 0,1 V op de ingang tot 20 Volt aan de uitgang wanneer de volumeregelaar geheel open staat. Dat levert een versterkingsfactor van 20 : 0,1 = 200 op. Wordt op de ingang geen 100 mV maar slechts 80 mV toegevoerd, dan zal de versterker niet aan de 20 Volt komen en wordt het opgegeven vermogen niet gehaald. Hij komt niet verder dan 200 maal 80 mV is 16 Volt (= 32 watt aan 8 ohm. Het omgekeerde is ernstiger: voeren we 200 mV aan de ingang toe en laten we de volumeregelaar openstaan, dan wordt die 200 mV ook 200 maal versterkt en zouden we theoretisch op 200 maal 0,2 Volt is 40 Volt moeten komen. Dat is een vermogen van 200 watt. De voeding van de versterker is daar echter absoluut niet op berekend en het resultaat is een volledig vastlopen van de eindtrap en zeer ernstige vervorming. Zowel de versterker als de luidsprekers kunnen hier onherstelbare schade aan overhouden.

Kunt u begrijpen wat er gebeurt als we de 2 Volt (= 2000 mV) van een CD-speler op die ingang van 100 mV loslaten? De arme versterker zal proberen 200 maal 2000 mV te produceren is 4000 Volt, wat overeenkomt met 2.000.000 watt en zal al heel snel de luidsprekers en zichzelf vernielen. Het geeft wel duidelijk aan hoe onvergeeflijk absurd een ingang van 100 mV voor een CD-speler is.

Ook al bent u voorzichtig, het is op zijn minst onelegant bij het omschakelen van de ene bron naar de andere, want daar zitten dan grote niveausprongen in. Bovendien regelt het niet prettig als u niet de gehele slag van de volumeregelaar ter beschikking heeft maar slecht een kwart of zo. Onbenullige handelaren roepen dan dat dat de reserve van de versterker is: onkunde in het kwadraat. Het is een ergerlijke en onuitroeibare ontwerpfout. In het ideale geval wordt het maximum vermogen bereikt bij geheel open gedraaide regelaar, wat slechts zelden het geval is.

Heeft u een speler met een regelbare uitgang, dan is dat de aangewezen man om het uitgangsniveau te corrigeren. Nu begrijpt u waarschijnlijk ook waarom de versterker al in de vervorming gaat voordat de volumeregelaar geheel open staat: dat is niet omdat de versterker niet deugt, zijn vermogen niet zou halen, maar omdat hij zijn vermogen al haalt voordat de knop geheel open staat. De volumeregelaar werkt logaritmisch – d.w.z. dat de regeling in het eerste stuk op laag niveau minder grof werkt als in het laatste stuk – zodat de halve versterkingsfactor op ongeveer 3/4 van de slag wordt bereikt.

Luidsprekers
Het kiezen van luidsprekers is altijd het moeilijkst. Bewaar het daarom voor het laatst. Ga bij het kiezen van een versterker of tuner-versterker (receiver) uit van een vermogen van (continu) 50 watt of meer, dan loopt u – uitgaande van een kamer van 4 x 6 meter en gemiddelde demping – niet het risico dat de versterker te klein is voor de luidsprekers die u wilt aanschaffen. Versterkervermogen is tegenwoordig niet duur meer en het heeft een grotere invloed op de weergave dan de meeste andere factoren waar men zich druk om maakt. Een te kleine versterker is het meest voorkomende euvel. John Borwick – de vroegere audioredacteur van 'Gramophone’ – riep eens dat het toch onbegrijpelijk was dat er zoveel kleine luidsprekers worden gebruikt op een duur statief. De ruimte tussen het statief en de vloer kun je dan net zo goed als luidsprekerkast gebruiken om aldus de basweergave te verbeteren. Ik ben dat met hem eens en het brengt mij tot de volgende punten.

Kijk eerst hoeveel ruimte op de vloer, in de kamer en tegen de wand beschikbaar is voor uw luidsprekers en houd daar bij de aankoop ook rekening mee. Het heeft geen zin groter te kopen dan u kunt plaatsen en het is jammer wanneer u te klein kiest. Er zijn èchte boekenplank luidsprekers die ook werkelijk in de boekenkast dienen te worden opgesteld. Doet u dat niet, dan mist u een behoorlijk deel van het laag. Omgekeerd zal een luidspreker die niet voor de boekenkast is gemaakt daarin niet goed tot zijn recht komen. Opstelling van een luidspreker tegen de achterliggende wand, geeft een versterking van de bassen. Opstelling in een hoek (twee wanden) heeft tweemaal zoveel versterking van de bassen.



Luidsprekervermogen
Het belachelijkste woord in de geluidtechniek! Luidsprekers hebben geen vermogen, hoogstens een belastbaarheid: een getal dat aangeeft bij welk toegevoerd vermogen ze nog nèt heel blijven. Een getal dat overigens nooit klopt en alleen zin heeft als er een tijdsduur bij staat vermeld. De consumenten organisaties zouden de consument een dienst bewijzen wanneer zij eens duidelijk lieten weten dat je met een versterker van 10 watt een luidspreker met een belastbaarheid van 100 watt moeiteloos naar de knoppen kunt helpen en dat een luidspreker met een belastbaarheid van 50 watt moeiteloos jaren meegaat op een versterker van 100 watt. Dat laatste is zelfs te prefereren. En dat de onwijs grote gevoeligheid van de ingangen van de versterker eigenlijk veel ernstiger is.

Het komt er op neer dat de vervorming die een te krappe versterker produceert ontaardt in gelijkstroom naar de luidspreker. Alle toppen van de signalen zijn horizontaal afgesneden en dat betekent gelijkstroom. Voeren we gelijkstroom aan een luidspreker toe dan zal de conus niet bewegen, de spreekspoel niet afkoelen en verbranden. Moraal: als u ervoor zorgt dat het geluid nooit hoorbaar vervorming heeft die verdwijnt wanneer u de versterker zachter zet, zal de luidspreker u overleven. Dat verklaart waarom er op feestjes zoveel luidsprekers sneuvelen: u hoort niet dat het vervormt, of denkt dat het wel mag voor een keer. Fout: de versterker is overstuurd en de luidsprekers gaan hun ondergang tegemoet.

Advies: koop altijd een (te) ruime versterker en trek u niets aan van de technische gegevens van luidsprekers, daarvan zijn alleen de afmetingen en het gewicht interessant! Onthoud dat ELKE versterker zijn maximum vermogen bereikt lang voordat de volumeregelaar geheel open staat.
De meeste versterkers bereiken het maximum vermogen op een kwart tot de helft van de slag van de volumeregelaar. Draait U de knop verder dan ontstaat een levensbedreigende situatie voor Uw luidsprekers! Die overigens – terecht – ook niet onder de garantie valt!



<< Terug